Brussel is twee steden tegelijk. In de Europese wijk lopen diplomaten en ambtenaren uit heel Europa. Een paar straten verder zit je in een bruine kroeg met een Belgisch speciaalbier op tafel. De stad is tweetalig: elk straatnaambord staat er in het Frans en in het Nederlands.
Begin op de Grote Markt, omringd door rijk versierde gildehuizen en het gotische stadhuis met zijn slanke toren. Het plein staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Een paar straten verderop staat Manneken Pis, kleiner dan de meeste bezoekers verwachten en geregeld gekleed in een van zijn vele kostuums. Boven het centrum uit rijzen de twee witte torens van de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal.
Brussel is ook de stad van René Magritte. Het Magritte Museum, onderdeel van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, toont het werk van de surrealist die het grootste deel van zijn leven in Brussel woonde. In dezelfde musea hangen Vlaamse meesters als Bruegel en Rubens. Aan de noordrand van de stad staat het Atomium, een uitvergroot model van een ijzerkristal met negen stalen bollen, gebouwd voor een wereldtentoonstelling.
De Zavel is de buurt van antiekwinkels en chocolatiers. In de Dansaertwijk vind je Belgische ontwerpers, conceptstores en bars. Voor de grote modehuizen ga je naar de Louizalaan.
Proeven doe je op straat en aan tafel: een Brusselse wafel, rechthoekig en licht, frieten in een puntzak met mayonaise, of een pot mosselen met friet. Bij het bier hoort de geuze, een zurig bier op basis van lambiek, dat traditioneel in en rond Brussel wordt gebrouwen.